Hypo en hyper
De bloedsuikerspiegel schommelt in de ideale situatie tussen de 4 en 8 mmol/l. De behandeling van diabetes is erop gericht om dit te bereiken. Van alles heeft invloed op de bloedsuiker: eten, drinken, sporten, stress en emoties, een griepje.
Een enkele keer een hypo of een hyper hebben is niet erg. Gebeurt dat vaak, dan moet wellicht de behandeling worden aangepast. Overleg dan met een arts of diabetesverpleegkundige wat voor u kan helpen. Veel grote schommelingen zijn niet goed voor het lichaam. Vooral hoge bloedsuikerpieken kunnen op den duur leiden tot bijkomende lichamelijke gevolgen.
Hoe herkent u een hypo?
Komt het bloedsuikergehalte onder de 4 mmol/l dan is er sprake van hypoglykemie (een hypo). U merkt dat door:
- zweten
- trillen
- duizeligheid
- plotseling wisselend humeur
- ongeconcentreerd zijn
- hoofdpijn
- moe
- hongerig
Met druivensuiker, limonade met veel suiker en daarna een boterham brengt u het bloedsuikergehalte weer omhoog. Is iemand bewusteloos, dan kan glucose of glucagon worden ingespoten. Glucagon doet het tegenovergestelde van insuline, het zorgt dat de bloedsuiker omhoog gaat.
Hoe herkent u een hyper?
Als er te veel suiker (glucose) in het bloed zit, dus ongeveer boven de 10 mmol/l, dan is er sprake van hyperglykemie (een hyper). U merkt dat door:
- veel plassen
- veel dorst hebben en houden
- vermoeidheid
- mogelijk plotselinge extreme humeurigheid
- gevoel van algehele malaise
Het lichaam wil het teveel aan suiker in het bloed kwijtraken. Veel blijven drinken (maar niets zoets!) helpt daarbij.
Wilt u alles later nog eens rustig nalezen? Vraag dan de gratis informatiebrochure over diabetes aan.
